Het is dat de muur daar staat. Hij wél. Mijn fiets ligt halverwege de straat. Waar ik hem ook neerzet, mijn overbuurman steelt hem hoe dan ook. De smaak van gal pijnigt mij nog steeds. Blijkbaar wordt deze zonde niet zo snel weggewassen. Was het vanavond nou echt nodig? Altijd heb ik problemen met grenzen. Altijd vechten de grenzen en ik. Een gevecht met een vast resultaat. Mijn lichaam steeds verder afbrekend. Sinds ik in deze stad woon is het één grote droefenis. Geen toezicht en een gebrek aan eigenliefde breken me op. Meer en meer. Mijn kaken klappen, vingers verkrampt en het regent. Hè verdomme, waar zijn mijn sleutels? Mijn benen houden me niet meer. De straat wordt mijn stoel.
Katerverhalen
Bij die fles had ik het moeten weten. Zelfs al was die maar halfvol. Vanaf dat moment was elke moraal verloren. De rechterhelft van mijn gezicht is nog steeds gevoelloos. Mijn rechteroog kijkt in mijn linkerbroekzak. Mijn benen voelen zich zoals mijn oog eruit ziet. Een schuldgevoel sluimert door mijn lichaam. Als langzaam werkend gif. Was het nou echt nodig? De avond was sowieso kut. De gebruikelijke ellende van ‘hippe’ mensen met een te groot ego. Ze stellen geen klote voor, maar leg ze dat maar eens uit. Waar zijn mijn sleutels? Mijn billen worden vochtig van de grond. Langzaam wordt mijn balzak nat. Een siddering gaat door mijn lichaam. Alsof iemand eraan likt. Waar zijn mijn sleutels? Ik wil slapen, een momentje voor mezelf hebben. Zoiets kan niet op straat.

De gedachte aan een knuffel is bijna orgastisch. Eindelijk! Sleutels! Zuchtend steek ik ze in het slot. Geen beweging. Tyfus. De deur blijft dicht, wat ik ook doe. Opnieuw probeer ik het. Hetzelfde resultaat. Wat is dit? Waarom gebeurt dit? Ik bel aan. Niemand doet open terwijl mijn huisgenoten wel thuis zijn. Ik bel weer aan. Geen gehoor. De deur is nog steeds dicht. Ineens besef ik het. Ze willen me niet meer. Ze kunnen mijn gedrag niet meer aan. Vanavond was de druppel. Ik ril van de wind en de regen. Godverdomme. Ze hebben gewoon de sloten vervangen! Ze hebben me eruit gegooid! En ik heb het aan mezelf te danken.

Was het nou echt nodig? Ik moet stoppen. Mijn huisgenoten hebben zelfs de sloten veranderd. Een duidelijk signaal. Ze willen me niet meer. Ik heb een probleem. Als ik deze nacht overleef stop ik, maar echt. Echt waar. Echt. Dan moet ik wel de nacht overleven. In de regen. Van die regen die je kleren doorweekt maakt. Waarschijnlijk sterf ik. Aan onderkoeling. Aan uitdroging. Als ik nu ga komen er in ieder geval mensen op mijn begrafenis. Wat zouden ze zeggen? Zouden ze huilen? Ik weet het niet. Ik nestel me tegen de muur aan, trek mijn doorweekte benen in en sluit mijn ogen. Ik ben er klaar voor.

‘Sukkel’.
Ik open mijn ogen, het is een waas.
‘Wordt wakker!’
Iemand staat voor me. Mijn ogen zien nog steeds mijn broekzak. ‘Wie ben jij?’
‘Je huisgenoot, sukkel. Waarom zit je hier?’
‘Jullie, jullie hebben het slot vervangen!’
‘Slot vervangen?’
‘Jullie willen me niet meer.’
‘We willen je niet meer?’
‘Omdat ik altijd naar de klote ben.’ Ik onderdruk opkomend gal.
‘Dat zijn we gewend van je. Sta op, we gaan naar huis.’
‘We zijn thuis. Ik zit al voor de deur.’
‘Thuis is een portiek verder, kom op!’
Hij tilt me overeind en sleurt me mee.
‘Volgende keer iets rustiger aan denk ik hè?’
‘Hoezo….Ik ben toch thuis gekomen?’

Reacties

reacties