Ik was er vroeg bij, ik gok zo’n 14 jaar, toen ik mijn ouders smeekte of ik alsjealsjeblieft uit mocht. Ik was al helemaal geobsedeerd door muziek op dat moment. Waterfront, dat scheen wel een leuke plek te zijn. Indie hitjes en drum ’n bass was al wat de klok sloeg; perfect voor iemand die net haar oversized bandshirtjes en spike armbanden bij het grofvuil had gegooid, maar van binnen nog een echte ‘alto’ was. Op Tweede Kerstdag mocht ik dan eindelijk voor de eerste keer een kijkje gaan nemen. Van een stille, heilige nacht was geen sprake.

Waar mijn ouders al bang voor waren werd waarheid: Ik had meteen de smaak van het nachtleven te pakken. We kwamen tot een compromis: één keer per maand mocht ik uit, maar dan stond ik wel om 3 uur paraat en werd ik opgehaald. Maar ja, zo’n wekkertje midden in de nacht gaat ook tegenstaan en ik wist pa en ma uiteindelijk te overtuigen dat de nachtbus heus geen griezelbus was. Het begin van het einde, want vanaf dat moment Kayleigh Bergwerffwas ik iedere week op de Boompjeskade te vinden. Bang dat ik niet binnen kwam was ik nooit; ik werd altijd veel ouder geschat en was inmiddels een bekend gezicht van de uitsmijter met wie ik een leuke band had opgebouwd. Hij heeft nooit iets doorgehad tot de dag dat ik daadwerkelijk naar binnen mocht: “Heeey meneer de uitsmijter, ik ben jarig vandaag!” “Gefeliciteerd Kayleigh, hoe oud ben je geworden?” “Zestien!” Ik schrok van mijn antwoord en was even stil, tot ik een glimlach bij hem zag ontstaan. “Dus dan mag ik naar binnen, hé?”

Ik heb gehuild toen Waterfront dichtging. Nighttown sloot niet lang daarna ook haar deuren. In mijn beleving was er toen niet zo gek veel te doen in Rotterdam. Gelukkig ben ik een kameleon en kon (en kan) ik me overal prima vermaken. Een studentikoze tent als de Beurs was ook een prima alternatief; 80 % man, er is bier, mij hoorde je niet klagen.

Daarna brak een nieuw tijdperk aan: de hoogtijdagen van electro. Je kunt van electro zeggen wat je wilt (voorspelbare, ietwat simpele muziek misschien), maar de sfeer op feesten als Superrauw en Megarevolt waren echt altijd fantastisch. Ik hou wel van dat gezamenlijk hossen, dat zie je nu niet zoveel meer in clubs. Ik krijg nog altijd een grote grijns wanneer ik filmpjes als deze bekijk.

En toen kroop Rotterdam ineens langzaam op uit het dal. Ik geloof dat we nu eindelijk kunnen zeggen dat de stad voor iedereen wat te bieden heeft. Tsja, het zou leuk zijn als ik niet meer voor ieder concert voor een band van formaat de trein naar Amsterdam hoef te pakken, maar ik weet niet of we de ambitie voor een groot poppodium nog moeten nastreven. Als ik bijvoorbeeld mijn agenda raadpleeg van de afgelopen weekenden: Ik heb net zoveel genoten van een concert van Mark Lanegan met het Metropole Orkest in de Doelen, als van een nachtje dartelen op Modular festival in Bird of een biertje drinken op de Witte de With.

“Veel mensen vinden nachtcultuur als beleving enkel escapisme, hedonisme en/of een te verwaarlozen aspect van deze tijd,” om Uitgeweest.nl collega Joris Talens even mooi te quoten. Soms krijg ik ook wel eens lacherig de vraag of ik na al die jaren inmiddels niet een beetje klaar ben met uitgaan en festivals. “Nee, eigenlijk niet”, zeg ik dan ietwat beschaamd. Als muziekliefhebber in hart en nieren haal ik heel veel energie uit een goed (festival)optreden of een lekkere dj set. Daarbij komt dat ik als sociaal dier echt geniet van spontane gesprekken, nieuwe mensen ontmoeten. De uitgaanswereld is daar toch wel de ultieme plek voor. Soms ontstaan daar zelfs nieuwe vriendschappen uit. Dat is toch mooi? Als ik straks in een bejaardenhuis zit heb ik zoveel toffe herinneringen, dat ik met een smile van oor tot oor terug zal kijken.

Reacties

reacties