Zeikend drink ik, de helft van beide belandt op mijn bezwete shirt. Halverwege mijn knieën bungelt mijn broek terwijl ik toch echt voor een pisbak sta. Ook de wereld mag genieten van mijn achterste, ik ben niet egoïstisch. Met een uiterste prostaatinspanning pis ik zorgvuldig het laatste restje schoonmaakmiddel weg. Het schone moet weg, dan pas is het feest. Hoewel ik er net ben staan mensen achter me al nieuwsgierig te kijken naar de prestaties van mij en mijn prostaat, ik faal zoals altijd hopeloos. Het zal eens niet zo zijn. Op dit uur is de wasbak al gepromoveerd tot wc, even sta ik voor een dilemma voordat ik mijn weg zoek naar de muziek. Bier heeft toch dezelfde kleur. PerronAls vanzelf vinden mijn voeten de muziek, de dj. Het is een hereniging tussen twee oude bekenden, mijn voeten en Len Faki. Mijn eerste Perron herinnering stamt hiervan af, legendarisch als deze nacht geweest moet zijn herinner ik me alleen de muziek nog. De rest is een waas van schaamte en drank.

Al vanaf de eerste toon weten mijn voeten en Len faki elkaar weer te vinden, ze mogen elkaar. Had ik maar zo’n relatie met mijn buren. In een drukte van zwaaiende armen en genietende mensen vormen mijn buren een klasje. Als een hopman met hemd legt mijn buurman uit hoe de rest moet dansen. Ik zie de geboorte van jonge konijnen, vlak voor mijn arme ogen. De laatste tijd worden ze in hoog tempo gefokt. Het is een constatering waarvan ik depressief word, zelfs dronken. De muziek is gelukkig episch, ouderwets genieten. Het was lang geleden. Tijd verstrijkt in een waas van dreunen en danspasjes. Ik waan mij tussen hogere machten. Een brute duw in mijn rug verstoort dit. Worstelend baant een bewaker zich een weg door het publiek, de weg van de minste weerstand is hem niet bekend. Hij is nieuw, en totaal anders dan zijn meer ervaren collega’s hier. Zelden was iemand zo slecht op zijn plek, zelden was iemand zo’n bonk agressie. Terwijl zijn ogen de zaal door loeren pakt hij hardhandig lichtjes van mensen af, spelbrekende misgunner. Hij zal vroeger wel gepest zijn denk ik bij mezelf, of een kleine lul hebben. De duw heeft me naar voren geduwd. Weg van de konijnen en hun dansradius. Mijn nieuwe buur is een schattig meisje. We glimlachen. Ze heeft geen deo op, het is de lekkerste geur die ik die avond zou ruiken. Voordat ik wat kan zeggen wordt ze weggetrokken door een jongen, mijn geluk weer. Dit blauwtje en de groeiende drukte dwingen mij naar de tweede zaal.

Het is daar een oase van rust en koelte. Begeleidt door fijne muziek praat ik onzin met vrienden, we blinken uit. Muren hangen vol met tekeningen die de diepste levensvragen bevatten. Ze beantwoorden is onmogelijk. De sfeer is beter dan in de hoofdzaal, gemoedelijker en zonder gedrang. Ik geniet. Vanuit een luie stoel begint mijn lichaam het echter te verliezen van de alcohol, ik ga kapot. Zelfs de laatste tonen van Len Faki hebben geen effect. Mijn val is in werking gezet. Het is tijd om te vertrekken. De eerste zonnestralen zijn zelfs al te zien. Fijn! Mijn kater is zojuist nog groter geworden. Ik pak mijn spullen en kijk nog eens rond. Het voelt alsof iemand steeds meer afstand neemt. Ik herken het hier nog maar moeizaam, het is aan het veranderen. Hip doen is in, Perron lijdt eronder. Andere mensen, andere sfeer. Zeker de laatste tijd. Het doet pijn. Depressief verlaat ik mijn vriend Perron, me ernstig zorgen makend over de verwaarlozing door zijn vader…

Reacties

reacties