Weet je waarom je kunstenaars het beste met varkens kan vergelijken? Ze worden namelijk pas ná hun dood het meest gewaardeerd. Hoewel menig Hollandse meester in de goot zijn sterfbed vond is het met artiesten/muzikanten tegenwoordig gelukkig net iets beter gesteld. Maar toch merkt het overgrote deel van deze beroepsgroep dat het gewoon keihard werken is voor weinig centen. Slechts enkelen kunnen er van rondkomen. Zeer weinigen worden er rijk van. De drive om iets neer te zetten zal toch echt moeten komen uit de liefde voor de muziek en het toneel, maar niet uit winstbejag. Anders wordt het wel erg stil in veel theaters en podia.

Al voor het aantreden van het nieuwe college van B&W was duidelijk dat er ook na 2015 geen, door de gemeente Rotterdam gefinancierd, poppodium zal worden gerealiseerd. Met moeite werd er nog iets vaags uitgeperst, wellicht onder druk van D66, zoals “…uit de bestaande middelen ondersteunen van de exploitatie…” maar uit de diverse politieke programma’s kon eerder al snel worden opgemaakt dat men vond dat een nieuw poppodium vooral een zaak was voor ondernemers,…… culturele ondernemers.Poppodium deel2

Het begrip ‘cultureel ondernemerschap’ werd in de jaren ‘90 geïntroduceerd door toenmalig staatssecretaris Rik van der Ploeg. De kunstsector werd door menigeen gezien als een sector die op geen enkele manier gevoelig was voor de gesel van vraag en aanbod en daardoor was verworden tot een soort financieel zwart gat. Cultureel ondernemerschap, ik blijf er moeite mee hebben. Ondernemers houden van het nemen van risico’s zodra ze mogelijkheden zien. Snelheid van handelen is daarbij een kernelement. Jij doet het voordat een ander met het idee er vandoor gaat. Dat vraagt om een bepaald type mens én, vooral niet vergeten, om bepaalde organisatiestructuren. Er moet immers slagvaardig kunnen worden gereageerd, vaak met inzet van gespecialiseerd personeel. En in de culturele sector zie ik dat juist niet.

En daarnaast zijn er de mensen die zich bemoeien met het verdelen van subsidies voor kunst en cultuur. Zij zijn juist per definitie geneigd om risico’s te mijden. Met name die individuen die juist hun waarde ontlenen aan hun verworven posities, bv als lid van ’n adviesraad als RRKC. Grote uitglijders vermijden en voor de rest alles onder het motto “recht zoals die gaat”, dat kan in het latijn op hun vlag worden gezet. Over de artiest zelf zwijg ik maar helemaal want die wil gewoon z’n ding doen. En dat geeft helemaal niet want Van Gogh heeft ook nog nooit een marketingplan ingediend voordat hij z’n kwast in verf stak maar hij had gelukkig wel enkele ‘sponsors’ anders waren er nooit “Zonnebloemen” geweest.

De jaren ’90, de tijd waarin het begrip ‘cultureel ondernemerschap’ werd geboren, was het zogenaamde postideologisch tijdperk. Wie toen niet meedeed aan de markt, was een onbenul en de aandacht niet waard. Als je niet alles kon vertalen naar marktwerking was je een museumartikel. Zo luidde in het kort de heilsboodschap binnen de liberale parochie. Dat was, wellicht wat meer gechargeerd, ook de sfeer op de ministeries en de universiteiten en dat werkte vele jaren door…..tot in 2008. En toen bleek dat ook deze denkwijze aan een grondige herziening toe was. Het hele financiële systeem, als een van de uitvloeisels van dat marktdenken gierde jarenlang langs de afgrond en alleen dankzij massieve budgettaire ondersteuning door overheden (dat noemen ze in een andere context ook wel subsidies) bleef de hele boel nog nét op de rails.

Het zal een kwestie van nog enkele jaren zijn voordat ook in Rotterdam wordt ingezien dat zoiets als een poppodium snel kan worden bedacht maar dat het een hels karwei wordt om zoiets te realiseren. En dat lukt echt niet zonder directe financiële en overige ondersteuning van een overheid, no way. Cultureel ondernemen is daarnaast bedoeld om mensen die anders niet veel over hebben voor de popmuziek, zodanig bij zo een project te betrekken, dat ze er wel aandacht, tijd en geld voor over hebben. Hulde voor de doeners die dat voor elkaar krijgen!!

Maar hoe dan ook, zie ik nog steeds niet hoe daarnaast ook nog dat enorme gat genaamd ‘talentontwikkeling’, kan worden gevuld. Daar is en daar blijft sowieso altijd ondersteuning voor nodig. Investeren in een ‘product’ dat onbekend is, waarvan je niet weet of het ‘goed’ is en evenmin of de mensen het ‘leuk’ zullen vinden, nee, daar krijg je marktpartijen nooit warm voor. In veel gevallen blijkt het namelijk altijd geld te kosten, soms draait het kostendekkend en héél soms levert het iets op waar generaties lang nog aan wordt verdiend.

Nee, wanneer dan de term cultureel ondernemerschap ter afweer in een discussie wordt geheven dan zie ik vooral politici die te laf zijn om jonge mensen te ondersteunen die wel de moed hebben en wel de zelfopoffering tonen om bijvoorbeeld een identiteit uit te dragen op een podium. Te laf om hun achterban uit te leggen dat die steun wel degelijk nodig is waarbij het bovendien misschien, héél misschien iets oplevert waar nog generaties lang van kan worden genoten en waar we dan voor eeuwen een nationale identiteit aan kunnen ontlenen.

Reacties

reacties